In de eerste tientallen jaren van zijn bestaan was bij Vitesse een trainer nog geen begrip: oudere leden met technisch inzicht gaven les aan de jongere voetballers. Toch was Vitesse vooruitstrevend in Nederland bij het aantrekken van trainers. In 1914 nam het een officiële trainer in dienst, de Engelsman Sutcliffe. In 1920 werd weer een Engelse trainer vastgelegd, Charlie Griffith, oud-speler van Preston North End en Welsh international, die bovendien twaalf voetballen en een punchbal meebracht. Zijn bijnaam was De Griffel. Goedkoop was-ie niet, want hij kostte wekelijks zes pond en een retourtje Engeland. De volgende Engelse trainer die zich bij Vitesse aandiende, ook in de jaren twintig, was Robert William Jefferson. Hij zou ruim drie jaar blijven. Jefferson leefde zich in de hele clubcultuur in en bouwde een grote vriendenschaar op in kringen van zowel sport, kunst, spel als dans. Hij werd De Jeff genoemd. In de jaren dertig kwam Heinrich Schwarz op de loonlijst te staan. De Duitser vertoefde maar liefst acht jaar in Arnhem en besteedde uitermate veel aandacht aan de jeugd, die dan ook zeer succesvol was in die periode.
In 1946 trok Vitesse weer een Engelsman als trainer aan, George Roper. Een van zijn tips aan de spelers was: eet matig en raak niet verslaafd aan drank en tabak. In 1948 was het tijd voor een Nederlandse trainer. De Amsterdammer A. van de Wel, een zeer humoristische man, kwam naar Arnhem. Van hem zijn uitspraken bekend als: 'Er is in heel de wereld geen firma die voor U alleen een bal gemaakt heeft', en 'Denk er vooral aan dat U niet de enige speler bent, er zijn er nog tien'.
In 1949 brak voor Vitesse het eerste tijdperk van Jan Zonnenberg aan, dat zou gaan duren tot 1954. Zonnenberg speelde al bij Vitesse vanaf 1926 en haalde het eerste elftal. Als leraar lichamelijke oefening wist hij als geen ander dat een voetballer in aanleg technisch geschoold moest zijn, en dat teamsport alleen goed kan gedijen als iedere speler in topconditie was. Onder trainer Jan Zonnenberg maakte Vitesse diverse buitenlandse tournees, onder andere naar Denemarken, Oostenrijk, Luxemburg en Frankrijk. In Sedan speelde Vitesse daar eens een prachtige eerste helft en het kwam voor te staan met 0-2. In de rust werd er getrakteerd op champagne. Of dat ertoe leidde dat Vitesse de wedstrijd met 8-2 verloor is niet bewezen, maar Jan Zonnenberg kon er wel de humor van inzien.
In 1954 deed het semi-profvoetbal zijn intrede en daardoor veranderde zowel het voetbal als het trainerschap. Vitesse contracteerde een Oostenrijkse trainer, Joseph 'Pepi' Gruber. Hij trainde de club tweemaal. Gruber kende een moeilijke start, want zeven Vitesse-spelers vertrokken toen naar De Graafschap en Gruber moest zien dat hij de uitgedunde selectie, aangevuld met jeugdspelers, weer aan het voetballen kreeg. In die tijd werd het trainen verplicht gesteld. Dat gebeurde op vastgestelde tijden ('s avonds na werktijd). Gruber, die 's middags altijd op Monnikenhuize te vinden was, had er een handje van spelers op te bellen en hun te vragen of ze wilden komen trainen. Hij was een trainer met een warme belangstelling voor persoonlijke omstandigheden van de spelers. Hij werd opgevolgd door de Joegoslaaf Vidovic, die maar zeer kort bij Vitesse bleef. Na hem nam Jan Zonnenberg het roer weer over. Die zou blijven tot 1964, waarna Gruber terugkwam. Louis Pastoors was de volgende trainer. De Arnhemse gymleraar trainde Vitesse drie jaar. Daarna brak het tijdperk van een ander trainersgilde aan. Mannen als Frans de Munck, Bert Jacobs, Herbert Neumann, Henk ten Cate en Ronald Koeman werden trainer van Vitesse. Onder hen groeide Vitesse naar het hoge niveau waarop het nu al een aantal jaren verkeert.
Gaat u eens kijken in het Home of History, waar veel prachtige oude Vitesse-foto's hangen en waarop ook diverse Vitesse-trainers staan afgebeeld. Maak voor een bezoek aan het Vitesse-museum even een afspraak met Martin Esveld (telefoon: 026-8807316).
